Home / Wintersalon 26-27 / Salon 1
Salon Nieuw Zuid · Wintersalon 26-27 · Eerste salon
Wassily Kandinsky Klanken
Over het schrijvende schilderij · München, eind 1912
Er zijn kunstenaars die één taal beheersen. Kandinsky beheerste er drie: schilderkunst, muziek en het geschreven woord, en vroeg zich zijn leven lang af waarom wij ze überhaupt van elkaar onderscheiden.
In de herfst van 1912 verscheen bij uitgeverij Piper in München een boek van nauwelijks bekende omvang: Klänge, in het Nederlands te vertalen als Klanken. Het bevatte achtendertig prozagedichten, vergezeld van zesenvijftig houtsneden, twaalf in kleur, die Kandinsky tussen 1907 en 1911 zelf had gemaakt. Het was zijn enige eigenlijke dichtbundel. Hij noemde het zelf een “muzikaal album”, wat meteen aangeeft hoe hij het bedoeld had: niet als een boek om te lezen, maar om te ondergaan.
De uitgever had bezwaar. Reinhard Piper vreesde slechte verkoopcijfers en publiceerde het werk enkel nadat Kandinsky de productiekosten zelf garandeerde. Die vrees bleek gegrond: meer dan twee jaar na verschijning waren er minder dan honderdtwintig exemplaren van de hand. Dat het boek desondanks doordrong tot de Russische futuristen en de Dadaïsten in Zürich, die de gedichten hardop declameerden in de Cabaret Voltaire alsof het toneelstukken waren, zegt iets over de eigenaardige kracht van teksten die hun tijd ver vooruitlopen. De geplande Russische editie verscheen nooit. Kandinsky had de drukkosten uit eigen zak betaald voor een publiek dat nog niet bestond.
◆
Wat Kandinsky in Klanken zocht, was precies datgene wat hij in zijn schilderijen nastreefde: een uitdrukking die niet aan de buitenkant van de dingen blijft hangen, maar rechtstreeks de “innerlijke noodzaak”, zijn eigen term, aanraakt. De prozagedichten zijn geen beschrijvingen. Ze zijn evenmin verhalen. Ze zijn eerder verbale improvisaties, fragmenten van een synesthetische werkelijkheid waarin blauw kan “opstaan” en “vallen”, waarin geel scherp kan fluiten, en waarin wit ruimte opent die het oog niet kan zien maar het gehoor wel herkent.
Blauw, Blauw stond op, stond op en viel.
Wassily Kandinsky, Klänge (eind 1912) — vertaald via Tony Frazer (EN) uit het Duits origineel
Scherp, Dun floot en duwde, maar drong niet door.
Vanuit elke hoek kwam een gonzen.
De houtsneden illustreren de gedichten niet. Dat is een bewuste keuze. Tekst en beeld lopen parallel, als twee stemmen in een contrapunt: ze raken elkaar soms, maar lossen nooit in elkaar op. In de houtsneden verdwijnen herkenbare vormen langzaam, een ruiter, een boom, een horizon, totdat enkel de beweging overblijft. Hetzelfde gebeurt in de gedichten: de syntaxis houdt stand, maar de betekenis wordt vloeibaar. Men leest en begrijpt niet zozeer als men voelt.
Wie Über das Geistige in der Kunst kent, zijn theoretische traktaat uit 1911, dat in kunstenaarskringen vlug circuleerde, vindt in Klanken dezelfde overtuiging in een andere gedaante. Kandinsky geloofde dat kleur en lijn directe uitdrukkingen zijn van innerlijke toestanden, niet representaties van de buitenwereld. Woorden, zo beredeneerde hij, kunnen precies hetzelfde. Een woord dat zijn gebruikelijk verband verliest, verliest zijn transparantie en wint aan resonantie, het begint te klinken, letterlijk.
Het boek verscheen tegelijk met een derde sleutelwerk: de Blaue Reiter-almanak, die Kandinsky samen met Franz Marc redigeerde. Die drie publicaties, het theoretische traktaat, de kunstenaarsalmanak, en de dichtbundel met houtsneden, vormen samen een architectuur van één gedachte: dat kunst geen imitatie is, maar een zelfstandige geestelijke werkelijkheid. De vraag is niet wat kunst afbeeldt, maar wat zij bewerkt.
◆
Wij lezen Kandinsky in Nieuw-Zuid, een wijk die zichzelf nog aan het uitvinden is: gebouwd op voormalig havengebied, op de grens van het stedelijke en het open water, nog niet af en juist daardoor vol mogelijkheden. Kandinsky stond in 1912 op precies zo’n grens: tussen het figuratieve en het abstracte, tussen schilderkunst en literatuur, tussen wat kunst al was en wat zij nog kon worden. Dat hij daarvoor een boek maakte dat nauwelijks werd gekocht, stoort ons hier niet. Wij weten inmiddels dat de mooiste dingen soms beginnen in kleine kringen, rond een tafel, in een ruimte die nog geen naam heeft.
Klanken herinnert ons ook aan iets wat literatuur en schilderkunst delen maar zelden erkennen: dat de diepste aandacht niet zoekt naar betekenis, maar naar aanwezigheid. Stevens schrijft niet over een pot in Tennessee, hij plaatst die pot. Kandinsky tekent geen blauw, hij laat blauw opstaan. Het is hetzelfde gebaar, anders uitgewerkt. En wij, die hier bijeenkomen om te luisteren naar wat teksten doen als wij er echt voor gaan zitten, doen iets soortgelijks: wij plaatsen woorden in een ruimte en kijken wat er beweegt.
Wat resteert van Kandinsky’s experiment, is een soort vraag die hij zelf nooit volledig beantwoordde: op welk moment houdt een schilderij op een schilderij te zijn, en begint het een gedicht te worden? Op welk moment houdt een woord op te betekenen, en begint het te klinken? Klanken is geen antwoord. Het is die vraag, in druk gezet, op zwaar papier, met houtsneden erbij. Een boek dat wil dat u het hoort, en dat op deze avond, in deze wijk aan het water, misschien eindelijk zijn publiek heeft gevonden.
Salon Nieuw Zuid
Antwerpen · Wintersalon 26-27, eerste salon · Wassily Kandinsky · Klänge, München eind 1912
